Archeologie in de gemeente Epe (2)

Cor A. van Baarle

Pijlpuntje van vuursteen gevonden bij Gortel, 22 mm lang

In de gemeente Epe vindt men kenmerkende aanwijzingen in het terrein voor de aanwezigheid van grafheuvels. In ons vorige artikel zijn wij uitvoerig hierop ingegaan.

In dit artikel willen we aandacht besteden aan enkele recente ontdekkingen betreffende grafheuvels en nederzettingen. De streek tussen Vierhouten en Emst wandelen we in dit verslag door en komen aan het eind van de tocht bij een verdedigingsschans die nog tal van geheimen in zich bergt.

Grafheuvels

Tussen Vierhouten en Gortel bevinden zich een groot aantal grafheuvels. De ligging ten opzichte van de typische landschapsvormen hebben wij bestudeerd waarbij we tot de conclusie zijn gekomen, dat in de prehistorie de  grafheuvels aan de bosranden werden gebouwd.

In de Bronstijd lagen op de Veluwe uitgestrekte loofbossen en hier en daar wat dennen. In de IJzertijd deed de beuk hier zijn intree, maar overwegend blijven de eik, de linde, de iep, de es en de els. Verder vond men er wat gras en wat soorten kruiden. In de Middeleeuwen nam het aantal dennen toe en nam het aantal loofbomen sterk af.

Uit de gegevens van stuifmeelonderzoek en uit een kaart van de bosbouwgeschiktheid op de bodem van de Veluwe, die we projecteerden op een overzichtskaart van de verspreiding van grafheuvels en prehistorische  vondsten, kwamen er zeer verrassende gegevens aan het licht. Op plaatsen waar het loofhout goed kon groeien, vinden we de meeste grafheuvels.

Doorsnele door het hoge deel van de Veluwe nabij Gortel

Op plaatsen waar de grond mineralogisch slecht was, vinden we praktisch geen grafheuvels. In de gemeente Epe vinden we een sterk wisselend beeld van de bodemgesteldheid. Het stuwwallencomplex dat ontstaan is door de stuwende werking van het landijs tijdens de IJstijd, heeft een ingewikkelde bodemstructuur. Deze stuwwallen worden als de gaafste van Noordwest Europa beschouwd.

In de gebieden met een sterk wisselende bodemstructuur liggen de grafheuvels eveneens meer verspreid dan bijvoorbeeld in het Sprielderbos waar de bodemgesteldheid gelijkmatiger is. Dit vinden we ook in de bossen bij Ede.

Grafheuvels concentreerden zich op plaatsen waar loofbomen goed gedijden. De situatie die we ten westen van Gortel bestudeerd hebben over een oppervlakte van circa 4300 hectare met een 102tal grafheuvels uit de Bronstijd, is in onderstaande grafiek weergegeven.

Bodemgesteldheid geschikt voor loofhout

Opvallend is de piek die op de grens van de twee bodemgesteldheden wordt aangetroffen. In de grafiek kan men zonder meer aflezen, dat de begravingen langs de bosranden plaats vonden. Men kan zich afvragen: waarom ligt er dwars op de richting van een grafheuvelrij (die een préhistorische weg doet vermoeden) een aantal grafheuvels? Het zijn vaak groepjes van 2 tot 4. Wij komen tot de volgende conclusie: als een zogenaamde grafheuvelweg (zo kenmerkend in de gemeente Epe) de grens van een loofboom passeert, liggen de begraafplaatsen evenwijdig aan deze bosrand zoals die in de préhistorie te vinden was en dus dwars op de richting van een grafheuvelweg. Deze  situatie komt niet zelden voor.

Nederzettingen

De nederzettingen uit de Bronstijd waren zeer klein en lagen verspreid. Aan de hand van een concentratie van verscheidene prehistorische scherven en werktuigjes en afslagen, zou men een nederzetting kunnen terugvinden.

Scherf van een urn uit de Bronstijd uit Gortel

Deze onzichtbare monumenten zijn in onze omgeving te vinden aan de rand van het stuwwallencomplex en dan bij een beekdal of een meertje die al lange tijd geleden zijn drooggevallen of uitgediept en als beekje door het dal het water afvoert naar de IJsselvallei.

Veelal wordt een nederzetting op de kruising van grafheuvelwegen of in de nabijheid hiervan, aangetroffen. Vooral als daar een hoge concentratie van grafheuvels te vinden is, wordt het vermoeden, dat we te maken hebben met een nederzetting versterkt. De plaats waar een nederzetting heeft gelegen, heeft een sterk wisselend karakter van goede tot zeer slechte bodemgeschiktheid voor het verbouwen van gewassen. Men mag de conclusie trekken, dat de mensen op open plekken woonden in de nabijheid van een stuk bos dat gekapt werd voor akkerbouw. Daarbij werden geen plaatsen gekozen die mineralogisch zeer arm waren. Wel vond men zulke gronden in de nabijheid van zo’n nederzetting. Dat men de schrale grond verkoos boven de kleigrond heeft o.a. te maken met het feit dat de ploegen in de Bronstijd de grond alleen maar openritsten, zij waren niet geschikt om in de klei gebruikt te worden.

Enkele nederzettingen zijn op het kaartje aangegeven. 1, 2 en 3 zijn nederzettingen, de stippellijnen zijn karresporen, de kruisen zijn grafheuvels, het witte veld is het stuwwallencomplex tussen Emst en Gortel waardoor het dal van de Smallertse beek naar de IJsselvallei voert.

De heer G. van Laar

Een belangrijke verzamelaar van prehistorische vondsten was de heer G. van Laar, die in het buurtschap Schaveren woonde. Hij werd geboren in 1889 op de kloosterboerderij te Gortel, hoek Gortelseweg-Vierhouterweg en ging in Gortel op school. Op z’n 9e jaar plantte hij met z’n medeleerlingen het Wilhelminaboompje bij het Boshuis in het Kroondomein.

Opgraving van een grafheuvel bij de Hertenkamp, geheel links Gerrit van Laar

Naderhand hanteerde hij de spa bij een aantal grafheuvels in de Hertenkamp bij Schaveren (1908-1910) tijdens een onderzoek onder leiding van prof. Holwerda.

Opgraving van een grafheuvel bij de Hertenkamp

Aan velen heeft hij zijn interessante herinneringen, verteld over de tijd dat hij schaapherder was of over de Gortelse vloed. Hij was trots op zijn verzameling stenen, bestaande uit een aantal vuurstenen werktuigen en vele scherven van préhistorische potten. Een vermoedelijke slijpsteen en een drietal spinsteentjes behoren tot zijn verzameling.

Gerrit van Laar

In 1926 vond zijn zoon bij het spitten verkoold zaad van tarwe en gerst. Het was winter en bij het spitten ontdekte hij een asplek. De grond was wit bevroren en het contrast tussen de witte grond en het zwarte, verkoolde zaad was een duidelijke aanwijzing.

Het betreft hier emmertarwe, naakte en bedekte meerrijïg gerst. Een Engelse proef met soortgelijk graan heeft, onder verhoudingsgewijs ongunstige omstandigheden, een opbrengst van gemiddeld 20 kg per 100 m2 gehad wat zeer weinig is. Deze tarwe- en gerstzaden dateren uit de Bronstijd/IJzertijd.

In de préhistorie zijn nauwelijks sporen van bemesting ontdekt. Het is waarschijnlijk, dat men de natuurlijke vruchtbaarheid van het akkerland herstelde door gebruikte grond geregeld braak te laten liggen en het vee erop te laten grazen. (Neolithicum-Bronstijd).

Tinnenlepeltje 18e eeuws (gevonden in een dichtgemetseld kastje, de zgn Spinde in de kloosterboerderij te Gortel

Een gunstige omstandigheid voor de grond is het vermogen om water enige tijd vast te houden en geleidelijk door te laten en het vermogen om een zekere hoeveelheid lucht door te laten. Dat was het geval op vindplaats nr. 3, waar de bodem afwisselend uit leem en grof zand bestond. Pal aan de overkant van het veen aan de Veldweg werd tijdens een grafheuvelonderzoek door prof. Holwerda een vuurstenen sikkel gevonden die mogelijk voor het oogsten van graan werd gebruikt (Bronstijd).

Kraal uit Gortel

In de zomer van 1981 vonden we bij Gortel een zeer zeldzame kraal met 18 tekentjes erop. De rode, glazen kraal is afkomstig uit het Midden-Oosten.

Kraaltje uit Gortel

De verdikkingen op de kraal (bij A en B) wekken de indruk dat hij in twee vormen gegoten is. De wijze van vervaardiging en ook het zeer kleine gaatje in het midden zijn onbekend in onze archeologische perioden. De kraal is beslist zeer oud, maar de tijd waarin hij te dateren is, is nog onbekend.

Kraaltje uit Gortel

Houtwallen
(Inleiding tot de verdedigingsschans bij Schaveren)

We vinden verscheidene houtwallen in onze gemeente, ter afscheiding tussen bouwland en grasland of wel tussen enk en het lage broekland of veengebied, maar ook tussen bossen, heide en weidegrond. Zo’n houtwal kan een breedte hebben van 3 meter aan de voet tot 1 meter aan de top. Deze houtwallen waren oorspronkelijk met sterke stekelplanten begroeid. Toen het gemeenschappelijke land door een aantal personen niet meer werd bewerkt, werden hier tussen de afzonderlijke percelen ook houtwallen aangelegd.

De Emsterenk was in vroegere tijden omgeven door uitgestrekte moerassen, venen, poelen en beken, zoals het Wuesterveen of Emsterveen, het Wisselse veen, de Verlorenbeek, Vossenbroek, Emsterbroek en het Pollenscheveen. De enk, het hogere, lemige, overigens arme zand werd opgehoogd met plaggen, doortrokken van mest uit de potstallen. Hierdoor werd de enk, welke langs de rand bewoond was sedert de 8e eeuw na Chr., steeds hoger. Dit proces ging door tot in de 19e eeuw. De veen- en moerasgebieden om de enk boden bescherming tegen plunderaars. Deze situatie veranderde, toen men het veen had ontgonnen. In de 17e eeuw was dit voor een groot deel een feit geworden.

Om de Emsterenk te bereiken, kon men hoogstwaarschijnlijk van drie doorgangen gebruik maken. Eén zo’n doorgang was Schaveren. Deze buurtschap heette vroeger Schaffoerden, op zijn Gelders, in het Nederlands: Schaapvoorde. Het woord “voorde” komt vaker in plaatsnamen voor, zoals bijv. in Amersfoort, Frankfurt, en de Voorna aan de Oener IJsseldijk, en betekent: doorwaadbare plaats.

Terug naar Schaveren. Deze vrij ondiepe plaats waar de schapen doortrokken, bevond zich bij de Jacobshoeve over de Smallertse beek. De naam Schaveren is te vinden op een topografische kaart uit 1843, precies over deze doorwaadbare plaats. Aan de rand van dit beekdal lagen de middeleeuwse  akkers, de hoeven lagen op de oevers van de Smallertse beek. Deze plaats werd al in de Bronstijd als doorwaadbare plek gebruikt.

De rij grafheuvels die men tussen Epe en Niersen aantreft, loopt hier precies langs. Langs de grafheuvels liep vermoedelijk een weg die de enk opging en bij de Wuuste in de buurtschap Laarstraat bij de Verloren beek er weer afging en naar de Wisselse enk voerde.

Opgraving in de Hertenkamp – van R naar L de heer en mevrouw Holwerda – de vierde van rechts is prins Hendrik

De Emster- en de Wisselse enk komen bij de Wuuste bijna samen en dat punt wordt door ons ook als een doorwaadbare plaats beschouwd. De doorwaadbare plaatsen sluiten aan de westkant een veengebied af dat overgaat in een beekdal om vervolgens in de oostelijk liggende broeklanden te eindigen.

Opmerkelijk is het feit dat de grafheuvelweg vanaf de doorwaadbare plaats tot Epe Kerkstraat heet en wellicht gediend heeft voor de bewoners van de buurtschappen Schaveren en Gortel om naar de kerk in Epe te gaan (Tot 1866 heeft Emst geen kerk gehad).

De derde doorgang ligt tussen de veengebieden bij de Woesterberg. Ook hier loopt een grafheuvel weg over het hoge gedeelte tot aan de buurtschap Laarstraat. Op de kruising van beide grafheuvelwegen lag een kolossale

grafheuvel met er omheen nog een aantal grafheuvels. Ze zijn gelegen dichtbij het begin van een beekdal dat zich, via het broekland, uitstrekt naar de IJsselvallei. Deze situatie maakt een Bronstijd-nederzetting waarschijnlijk die, als onzichtbaar monument, verborgen 1igt onder het zand. Bovendien bevindt zich hier de grens van het stuwwal1encomplex wat  ook een nederzetting doet vermoeden.

Een verdedigingslinie

Bij de doorgang naar de Woesterberg werd een verdedigingslinie ontdekt door de heer J. Butter, tijdens zijn leven leraar te Deventer. De aarden wal waarin 3 rijen palen hebben gestaan, gekeerd naar het westen, sloot hier de Emsterenk af. Aan weerszijden eindigt de linie in de venen, namelijk het Wuusterveen en het Pollensche veen.

Verdedigingslinie Schaveren

De tweede linie die wij in de zomer van 1981 ontdekten aan de hand van de vorige linie, is gelegen vóór de doorwaadbare plaats Schaveren. Hij is gesitueerd op een akker uit de IJzertijd, een Celtic-field uit 500 voor Chr. tot 200 na Chr..

Daar de oude akkers omgeven zijn door een aarden wal, is deze verstoorde linie nooit opgevallen. Deze linie echter vertoont een eigen karakter en loopt van veen tot veen over een heuvel zoals de tekening aangeeft. Hij kan niet ouder zijn dan de Celtic-fields en was van gemeenschappelijk belang. Het gemeenschappelijk grondbezit achter de linie is de Emster enk die van 750 voor Chr. bewoond is.

Beide linies zijn herkenbaar aan greppels met aan weerszijden wallen, waarvan de binnenste hoger was om het gebied te beschermen. De linie B grenst in het oosten aan middeleeuwse akkers die zich uitstrekken langs het beekdal naar Emst. Opmerkelijk is, dat een zeer oud meertje gedeeltelijk

ingesloten ligt aan de binnenzijde van de linie. Dit meertje heeft zeker als drinkplaats voor het vee gediend. Een deel van linie B loopt over het midden van het meertje. Dit gedeelte is hoger dan het deel dat parallel westelijk langs de rand van het meertje loopt. De ene helft van het meertje ligt binnen de gehele linie en de andere helft ligt er buiten en wel op het beschermde gebied (De Emsterenk).

We vermoeden dat de hoge linie, in eenvoudige vorm, er veel eerder lag dan het evenwijdig lopende westelijke deel. Zo krijgt men een beeld van een meertje dat al veedrinkplaats gebruikt werd op de grens van de akkers en de woeste gronden, die door een wal van elkaar gescheiden waren. Het vee kon door hekken in de wal naar de akkers geleid worden om van tijd tot tijd op de “stoppel” te grazen.

Mocht het vee niet op de akkers komen, dan kon dit belet worden door de wal die later verdedigingslinie is geworden. Dan kon het meertje alleen nog vanaf de akkers bereikt worden. Dit heeft geduurd tot de tijd dat de gehele linie niet meer gebruikt werd en in verval raakte.

Aan de westkant vinden we weer middeleeuwse akkers na ca 3 km., waar het buurtschap Gortel ligt. Gortel betekent “grof zand en bos”, gort betekent grut of griet en el, dat afgeleid is van lo, betekent bos. Zo betekent Soerel zuid bos en Norel noord bos. Op deze plaatsen waren al vroeg akkers.

In de tijd van de Karolingers werd op grote schaal begonnen met het ontginnen van de bossen langs de IJssel. Men koos de hogere gronden die geschikt waren voor landbouw. Hier groeiden voornamelijk loofbomen.

Geologie Omgeving Schaveren
II, V, VII, VIII, IX, X Podzolen
III, IV, VI oude bouwlanden
I veen
Opm. Gortel IV zwak lemig, soms niet lemig, grof zand
Emsterenk II niet lemig, soms zwak lemig, grof zand
III zwak lemig, soms niet lemig, fijnzand

Linie A is gesitueerd op de grens van een geologisch structuurverschil en wel tussen zeer schrale zandgrond westelijk en aan de andere zijde, dus oostelijk een sterk grindhoudende laag die zich uitstrekt tot aan het Apeldoorns kanaal. Deze linie ligt, in tegenstelling tot de andere, nabij de markgrens van Emst, Westendorp en het buurtschap Schaveren. Een wal die schuin op lijn A ligt, kan mogelijk een grenswal zijn geweest van de mark Emst. Wij denken dit, omdat er tot aan deze wal, van Schaveren af, langs het beekdal fosfor te vinden is in de bodem, wat duidt op beweiding door vee. Op plaatsen achter de wal is geen spoor van fosfor te ontdekken.

De grindhoudende laag grenst aan de oude bouwlanden van de Emsterenk in de buurtschap Schaveren. Hier treft men eveneens een greppel met aan weerszijden een wal aan (C), die het huidige patroon van percelen doorbreekt. De woeste gronden die achter C te vinden zijn tot aan linie A zijn zeker gebruikt voor beweiding door schapen. De wal C is dan de grens met de oude akkers en diende om de schapen te weren.

Gezien het karakter van C en de overeenkomst met A en B, welke een unieke relatie met de middeleeuwse akkers van Emst vormen en het omliggende moeras, is een gedegen archeologisch onderzoek zeker de moeite waard, vooral om de aard en de structuur van de verdedigingswa1 te reconstrueren.

Hier en daar in Nederland vindt men verdedigingslinies, waarvan de meeste uit de Middeleeuwen dateren. Een typisch voorbeeld hiervan zijn de Limburgse landgraven, die o.a. dienden om de stropende huurtroepen de doorgang te beletten. Zou dit ook in onze gemeente het geval zijn geweest?

Door de linies A en B vinden we oude karresporen naar de enk. De buurtschap of mark Emst was voor de tweede helft van de 17e eeuw een zgn. Hoff of Curtis. Over deze Hoff zijn vanaf 1313 gegevens bekend. De boeren waren horigen van de Heer van het Hoff, aan en voor wie zij een bepaalde geldelijke uitkering of levering van producten moesten doen en herendiensten verrichtten.

Daartegenover verleende hun Heer hen bescherming tegen aanvallen en plunderingen van buitenaf. Regelmatig is er op de Veluwe geplunderd en geroofd.

In december 1582 schrijft de Heer van “De Cannenburgh”, A. van Isendoorn à Blois aan het Hoff:

“Het Ampt van Eep wort heel desolaat alsoe dat hondert ende vijf ende twintich ervan als hoffsteden ledich liggen, eensdeels verstorven, eensdeels van de principalen in de steden vertrocken, alsoe datter nicht oder gans weinich in den selven heelen Ampt van Eepe geselt (gezaaid)en wort”.

De plunderingen geschiedden door de Spaanse troepen in het begin van de tachtigjarige oorlog. De verdedigingslinies verbergen nog vele geheimen. Ook de vraag tegen welke plunderaars ze oorspronkelijk bedoeld waren, is nog niet beantwoord. De tijd dat deze wal met de houten palissaden is opgeworpen, ligt in ieder geval voor de tijd van algehele ontginning van de veengebieden.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 058-018-De-Emsterenk-getekend-door-F-Zandstra.jpg

(Wordt vervolgd)

Uit Ampt Epe 58