Cor A. van Baarle
In dit verslag willen wij een overzicht geven van de oudste sporen van de mensen binnen de gemeente Epe, die zich hier na de laatste IJstijd ophielden, vanaf 14.000 v. Chr. tot en met de tijd van de eerste landbouwers. Resten van vuursteenbewerking verraden ons het verblijf van deze mensen. Het handelt hier om losse vondsten waaronder zeer fraaie pijl punten.
Een groot deel ervan is uit eigen collectie, een ander deel bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.
Het Laat-Paleolithicum (van ca. 35.000 tot ca. 8.000 v. Chr.)
Tot de meest interessante vondsten in de gemeente Epe behoort een woonplaats op een hoge zandkop in de lagere zandgronden uit het Laat-Paleolithicum (bij Vaassen). Hoewel de vondsten van vuurstenen werktuigen nog gering in aantal zijn, kan men toch wel met vrij grote zekerheid zeggen, dat wij hier met cultuursporen van rendierjagers te maken hebben. Een drietal fraaie, lange klingschrabbers en een tweeslaghoeksteker zijn aan te voeren als bewijsmateriaal. Datering ca. 12.000 à 14.000 v. Chr. (Rijksmuseum van Oudheden te Leiden).
Aangenomen wordt dat er nog een koud klimaat heerste waarin boomgroei niet of nauwelijks mogelijk was. Op de toendra die ons land overdekte, stonden kleine groepen berken, waardoor de rendierkudden trokken. De mens maakte jacht op rendieren. Als kampplaats kozen deze jagers vaak een terrein uit vlak bij een drinkplaats of doorwaadbare plek in de rivier. De aangrenzende veldgronden bij de vindplaats hebben een veel duidelijker reliëf gehad, tot I.80 m. onder
het maaiveld kan men veen vinden. Ook hier moeten wij aan een dergelijke situatie denken.
Het Mesolithicum (van ca. 8000 tot ca. 3000 v. Chr.)
Uit deze tijd stammen de zeer kleine, bewerkte vuurstenen werktuigjes, microlithen genaamd. Vaak vindt men ze in grote concentraties in het stuifzand. De microlithen dienden voor de jacht, ze werden voor aan de pijlen bevestigd. Thans kan men ze nog met een geoefend oog en veel geduld vinden. Bekenden vindplaatsen bevinden zich aan de Noordwestzijde van de Veluwe.
Onze gemeente kent slechts enkele vindplaatsen op zeer schrale grond. Ze zijn hier zeer zeldzaam. In de Gelderse Almanak uit 1844 wordt een wandeling beschreven langs een keienrij aan de Noordkant van de Woldberg, gelegen in het stuifzand. Het gaat om zes grote keien, waaronder de “Reuze Pinke” nabij ’t Harde, die bijna vierkant van vorm is, 4,5 Amsterdamse voet breed en 5 Amsterdamse voet lang. Er wordt verondersteld, dat deze keienrij een zeer oude grens markeert. De stenen zijn vermoedelijk als aambeeld voor de vuursteen-industrie gebruikt, gezien de vele afslagen en bewerkte vuurstenen rondom de meeste van deze keien die zo merkwaardig op een rij liggen. Het ligt voor de hand, dat deze stenen hier terecht zijn gekomen door het landijs in de Oude IJstijd. Ze zijn dankbaar gebruikt in de pre-historie.
Aan een oude grens, zoals die beschreven wordt in de Almanak van 1844, hoeft niet gedacht te worden, aangezien de stenen er in ieder geval tijdens de periode van het maken van vuurstenen werktuigjes, de microlithen, al op deze plaats moeten hebben gelegen. Wel mogen we de Woldberg als een zeer oude grens zien en niet zo zeer de IJssel. De gemeentegrens, die nog zichtbaar is aan de oude Hessenweg en langs de Dellen en het Soerel loopt, is deze zeer oude grens. Vele grote stenen zijn verplaatst vanaf het begin van deze eeuw en zijn terug te vinden in tuinen. Zo lagen in Tongeren grote stenen die mogelijk ook voor het bewerken van vuurstenen zijn gebruikt: zeer veel bewerkte vuurstenen zijn dan ook hier gevonden.
Op de tekening zijn drie fraaie microlithen uit de gemeente Epe afgebeeld en twee uit het Hulsthorsterzand. De nrs. Vl t/m X. Microlithen zijn veelal van een mooie kleur vuursteen gemaakt.

I | Pijlpunt | Neolithicum (vroege Bronstijd) | Gortel |
II | Pijlpunt | Neolithicum (vroege Bronstijd) | Gortel |
III | Pijlpunt | Neolithicum (vroege Bronstijd) | Vaassen |
IV | Pijlpunt? | Neolithicum? | Epe |
V | Spits | Neolithicum | Speuld |
VI | Trapezium | Mesolithicum | Tongeren |
VII | Trapezium | Mesolithicum | Soerel |
VIII | Afslagschrabber | Mesolithicum? | Epe |
IX | Gebroken spits | Mesolithicum? | Hulshorst |
X | Gebroken spits | Mesolithicum? | Hulshorst |
XI | Spits? | Neolithicum | Epe |
Het Neolithicum (van ca. 3000 tot 1700 v. Chr.)
Uit het Midden-Neolithicum zijn weinig sporen gevonden in Gelderland.
Bij Niersen, ten zuiden van de grote kuil, “Dobbe Gelle” en het Enkhout zijn verre uitlopers van de cultuur van de Hunnebedbouwers gevonden.
Tijdens het onderzoek van prof. Holwerda (van 1908 tot 1910) kwamen scherven te voorschijn bij het omzetten, op grote diepte, van de heide. De stoomploeg had de
grondsporen behoorlijk vernield. De scherven zijn vermoedelijk een aanwijzing van een nederzetting van de Trechterbekercultuur (van ca. 2700 tot ca. 2300 v. Chr.)
Bekend van deze cultuur is:
a De mensen leefden van landbouw en veeteelt,
b De akkers lagen in kleine open stukken in het bos,
c Er waren nog geen ploegen,
d Het vee werd niet geweid maar in de nederzetting gevoederd.
Enkele vindplaatsen van de Trechterbekercultuur in onze omgeving buiten de gemeente Epe zijn: Elspeet, aan een beekdal, bij Lunteren en bij het Uddelermeer. Uit het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd van ca. 2300 tot 1050 v. Chr. stammen de afgebeelde pijlpunten nrs. I – II – II – IV. Pijlpunten vindt men voornamelijk op de hogere zandgronden waar de jacht van grotere betekenis was dan in het Westen van Nederland. De nrs. II en IV zijn gevonden op een plaats waar in het verleden een pre-historische grafheuvel heeft gelegen. Deze losse vondsten zijn vrijwel toevallig gedaan. Bij opgravingen door deskundigen worden ze veelal samen gevonden met bekers van een bepaalde cultuur, waarvan de klokbeker een van de fraaiste is.
Bij nr. I zijn scherven van een beker gevonden. In de Bronstijd verkeert de vuursteenbewerking in een eindstadium en doen de bronzen voorwerpen hun entree.
Het vinden van artefacten (vuurstenen werktuigjes)
Tot nu toe zijn alle ontdekkingen van vuursteenbewerking ten Oosten van de Stuifrug gedaan. Op het kaartje is dat goed te zien. Ook nederzettingen bevinden zich ten Oosten van deze zeer lange Stuifrug.

Waarschijnlijk heeft dit o.a. te maken met het grondwaterpeil. In de gemeente Epe is er een schommeling tussen het zomer- en wintergrondwaterpeil van 1 à 2 meter, soms meer als gevolg van de invloed van de IJssel, nabij een heuvelrug en een laagte naast elkaar. Naast de Woesterberg bijv. is een constant waterpeil (moerassig)
nog te constateren.
Aangezien water een eerste levensbehoefte voor een mens is, verkozen de bewoners een verblijfplaats waar het waterpeil constant bleef. Op de Stuifrug zijn ook
vuurstenen afslagen en werktuigjes gevonden. De “Groene Zee” behoorde in het verleden tot een van de rijke vindplaatsen van de artefacten (ten Noorden van Epe).

Ook lemige plaatsen die het water vasthouden zijn hiervoor uitverkoren, zoals het Kroondomein. Meer naar het noorden toe, in de gemeente Heerde, zijn ze zeer sporadisch opgespoord, enkele afslagen zijn bij het Heerderstrand gevonden. Bij Wapenveld is een zeer fraaie vuurstenen sikkel gevonden.
Pseudo-artefacten
Stenen die gemakkelijk in de hand liggen, zijn geen bewijs dat ze als pre-historisch gebruiksvoorwerp gehanteerd zijn. Kunstmatige afslagen zijn in het algemeen anders dan natuurlijke afslagen. De archeoloog let op het breukvlak van de steen en kan meestal aflezen, of de steen door vorst of door grote druk gespleten is of kunstmatig gebroken.
Bij pseudo-artefacten is de retouchehoek bijna altijd heel steil, in elk geval meer dan 60 graden of vaak 90 graden of meer. Bij kunstmatige retouchering in deze hoek eigenlijk altijd scherp en vaak minder dan 70 of 80 graden. Pseudo-artefacten worden nooit in concentraties gevonden maar altijd verspreid, zowel horizontaal als verticaal
in grindrijke lagen en nooit in fijnkorrelige sedimenten. Op de tekening is met een V de retouche aangeduid die moeilijk waarneembaar is. Deze retouche is de gebruikte
kant van het werktuigje dat een fijne regelmatige bewerking vertoont.
Onderstaande foto’s zijn vergrotingen van resp. de nrs. III, V en VII van de tekening.
Uit Ampt Epe 60